De 100 meest voorkomende woorden in het Nederlands
Begin met de woorden die je in het Nederlands het vaakst tegenkomt en oefen ze als flashcards.
Druk op spatie om het antwoord te tonen. Druk daarna op 1 voor Nog aan het leren of op 2 voor Wist ik al. Houd de groene knop ingedrukt totdat de ring vult om het woord als geleerd te markeren.
Hoe de kaarten werken
Op volgorde van frequentie, niet alfabetisch
Nieuwe woorden komen in de volgorde van hoe vaak ze in het Nederlands voorkomen, de meest gebruikte eerst.
Elk woord heeft zijn eigen schema
Elk woord heeft zijn eigen tijd tot de volgende herhaling. Die tijd wordt langer elke keer dat je het goed hebt en gaat terug naar één dag als je het fout hebt. Elk woord wordt in beide richtingen gevraagd, en elke richting heeft een eigen schema.
Hoe snel je antwoordt, telt mee
Een woord waarop je meteen antwoordt, krijgt een langere pauze dan een woord waarbij je twijfelt, ook al had je beide goed. Twijfelen is het teken dat je een woord nog niet zeker kent.
De volledige lijst
Alle 100 woorden, op volgorde van frequentie. Woorden die je hebt geoefend zijn gemarkeerd.
- 1dethe
- 2enand
- 3hetthe, it
- 4eena, an, one
- 5vanof, from
- 6ikI
- 7datthat, which
- 8zeshe, they, them
- 9teto, too
- 10hijhe
- 11inin, into
- 12zijnto be, are, his
- 13waswas, wash
- 14opon, onto, up
- 15nietnot
- 16diethat, those, who
- 17haarher, hair
- 18metwith
- 19omaround, at, in order to
- 20maarbut, only, just
- 21isis
- 22naarto, toward, at
- 23jeyou, your
- 24aanon, to, at
- 25alsif, when, as
- 26hadhad
- 27erthere, of it
- 28voorfor, before, in front of
- 29mijnmy, mine
- 30uyou (formal)
- 31zeisaid
- 32zouwould, should
- 33hemhim
- 34wewe
- 35watwhat, some, a bit
- 36meme, myself
- 37doorthrough, by, because of
- 38danthen, than
- 39zoso, like this, that way
- 40zichhimself, herself, themselves
- 41toenthen, when, at that time
- 42overover, about, across
- 43geenno, not any, none
- 44uitout, out of, from
- 45dezethis, these
- 46ofor, whether
- 47warenwere
- 48bijat, near, with
- 49nogstill, yet, another
- 50ditthis
- 51koncould, was able to
- 52nunow
- 53huntheir, them
- 54alalready, all, even though
- 55hebbento have
- 56onsus, our, to us
- 57hebhave
- 58zalwill, shall
- 59totuntil, to, up to
- 60werdbecame, was
- 61meermore, anymore, lake
- 62ookalso, too
- 63hoehow
- 64waarwhere, true
- 65heefthas
- 66tegenagainst, to, toward
- 67nooitnever
- 68benam
- 69terwijlwhile, whereas
- 70mijme, to me
- 71kunnento be able to, can
- 72wordento become, to be, will be
- 73kancan, is able to
- 74alleenonly, alone
- 75ziento see
- 76onzeour
- 77ietssomething, a bit
- 78tweetwo
- 79andereother, different
- 80nietsnothing, not anything
- 81daarthere, because
- 82doento do, to make
- 83henthem
- 84wegaway, road, way
- 85zijshe, they
- 86keeklooked
- 87weeragain, weather
- 88gingwent
- 89hierhere
- 90kwamcame
- 91goedgood, well
- 92grotebig, large, great
- 93moetmust, has to, needs to
- 94onderunder, below, among
- 95zagsaw
- 96naafter
- 97welindeed, do, certainly
- 98jayes
- 99omdatbecause
- 100wiewho















